De buurman

Jonathan Farouche zat niet goed in zijn vel. Op het ene moment kreeg hij het koud, op het andere moment parelden kleine zweetdruppels op zijn voorhoofd. Hij kende deze symptomen van rusteloosheid en hij zuchtte gekweld. Met een ruk draaide hij zich van het raam weg en hij liep verstoord naar de rustbank.

Ik moet me beheersen, mompelde hij binnensmonds. Afwezig dronk hij een slokje vruchtensap, zette hij het glas op het salontafeltje, ging hij achterover zitten en sloot hij zijn ogen.

Gelukkig was Dirk er toen ze me vrijlieten, dacht hij. Dirk woonde in het noorden van het land, in hun geboortedorp waar ze waren opgegroeid. Wat zou hij zonder zijn jongere broer begonnen zijn?

Dirk had geen ogenblik geaarzeld om hem zijn zomerverblijf ter beschikking te stellen; een chalet waarin hij normaal zijn jaarlijks verlof met vrouw en kroost doorbracht. “Je moogt er blijven totdat je een eigen logement hebt gevonden,” had hij gezegd.

Dirk is een prima kerel.

Sinds zijn vrijlating werkte Jonathan als installateur bij een computerbedrijf. Hoewel hij weinig verdiende, had hij een dienstwagen gekregen waarmee hij, mits betalen van de brandstof, ook privé mocht rondrijden. Tevens hield hij van deze prachtige, door dichte bossen omringde vallei, waarin hij tijdens de weekends veel ging wandelen. In deze bijna ongerepte natuur kon hij zich als amateurfotograaf uitleven. Hij kende er elke wandelweg, alle verborgen paadjes en de meest interessante plaatsen. Regelmatig ging hij met zijn camera op speurtocht en maakte hij sublieme plaatjes. Thuis zat hij die urenlang te bewonderen, te analyseren terwijl allerlei fantasiebeelden door zijn hoofd raasden. In deze prachtige natuur voelde hij zich vrij en het woud was zijn tweede tehuis geworden.

Hij opende zijn ogen en stond op. Gekweld door onrust en frustratie ging hij weer aan het raam staan. Wat een hitte. Opgesloten zitten maakte hem nerveus. De gevangenis had hem claustrofobisch gemaakt. ‘Ik moet naar buiten,’ schreeuwde het in hem.

Hij was een veertigjarige, goed uitziende kerel, lang en slank met ovaalvormig gezicht, helderblauwe ogen, fijne neus en smalle lippen. Een poppengezicht met overheersend vrouwelijke trekken, omhuld door lange blonde, golvende haren die op zijn schouders vielen. Door dit uiterlijk was hij in de gevangenis meerdere keren verkracht.

Zijn schichtige blik gleed over het huis aan de overkant van de weg en dwaalde langzaam af naar de zijkant waar een gazon zich uitstrekte tot tegen een twee meter hoge haag. Langs de weg, over de breedte van het grondstuk liep een ijzeren hek met in het midden een poortje dat toegang gaf naar een smal pad uit kiezelsteen dat bij de voordeur eindigde.

Op het gazon zat een meisje met een pop te spelen. Naar haar uiterlijk te oordelen was ze zo’n negen jaar oud. Jonathan vroeg zich af wie dat wel kon zijn aangezien de bejaarde bewoners geen kinderen hadden. Een kleinkind met vakantie? Hij naderde het raam, tuurde naar links en zag het uiteinde van de haag die de grens vormde tussen zijn domein en dat van zijn buur.

‘Peer,’ siste hij tussen de tanden alsof het om een dodelijk virus ging.

Zijn buur Peer Vandam, een alleenwonende man, bezorgde hem kippenvel en hij vertrouwde hem voor geen cent. Steeds dook die uit het niets op en stelde lastige vragen over zijn verleden. Wat wist hij daarover? Wat Jonathan echter het meest verontrustte was Vandams regelmatige aanwezigheid in de bossen. Tijdens zijn excursies was hij hem daar al een paar keer tegen het lijf gelopen. Dat kon geen toeval meer zijn. Wat zocht die akelige vent daar?

Verder dan “goedemorgen” en “goedenavond”, ging hun conversatie niet, want elke keer dat hij tegenover zijn vijftigjarige buurman stond, kreeg hij een onbehaaglijk gevoel in de maag. Hij vond hem een uiterst onsympathieke eikel wiens nieuwsgierigheid hem verontrustte. Hij was niet groter, noch gespierder, zag er slank en ondervoed uit. Dat gezicht met de ingevallen wangen, kromme neus, gladgeschoren schedel en diepliggende stekende ogen die als sintels brandden, gaven hem een demonische uitstraling. Toch liet hij zich door dat uiterlijk niet beetnemen. Vandam deed voortdurend aan sport en hij was beslist krachtiger dan hij liet uitschijnen.

Nauwelijks was Vandam daar ingetrokken of Jonathan had hem betrapt toen hij schaamteloos rond zijn wagen snuffelde. De kerel was helemaal niet van zijn stuk gebracht en had laconiek uitgelegd dat hij ook zo’n grijze bestelwagen wilde kopen.

Maar Jonathan had hem niet geloofd.

Ondanks zijn leeftijd gedroeg Vandam zich eerder als een jonge rocker die met een zware motor rondreed. Werk scheen hij ook niet te hebben want hij was meestal thuis. Dagelijks ging hij joggen.

Jonathan slaakte een diepe zucht en trachtte hem uit zijn hoofd te zetten. Terloops viel zijn blik weer op het kind dat met opgetrokken benen op de grasmat zat en tegen haar pop praatte. Hij lachte weemoedig. Hij hield zielsveel van kinderen maar wist dat hij er nooit zelf zou hebben.

Wie zal er met mij, een ex-gevangene willen trouwen?

Een lichte huivering doorvoer zijn lichaam en hij dacht aan wat hij de laatste jaren te verduren had gekregen.

Dat nooit meer.

Hij moest naar buiten. In deze drukkende hitte hield hij het niet meer uit.

Als een opgejaagd dier begon hij door de schaars gemeubelde woonkamer te ijsberen. Allerlei duistere gedachten doorstroomden zijn hersenen. Zou Vandam thuis zijn? Was het mogelijk dat die engerd hem bespioneerde?

Verdomme, jij brengt me niet van de wijs, dacht hij. ‘Loop naar de hel.’ Hij had zijn buurman die dag nog niet gezien en hij hoopte dat hun wegen zich niet zouden kruisen.

Vijf minuten later kroop hij achter het stuur van zijn combi, startte, gaf gas en reed de weg op.

Toen hij het huis van zijn buurman passeerde, zag hij dat die aan het open venster stond. Een ijskoude rilling trok door zijn lichaam.

Peer Vandam grijnsde breed, keek naar hem en knipoogde.

***

Een uur later wandelde Jonathan langs een smal paadje tussen hoge groene varens. Zijn wagen had hij zo’n honderd meter verderop tussen de bomen laten staan, dicht bij een houten blokhut die tijdens het jachtseizoen door jagers werd gebruikt. Hij haastte zich naar een verlaten plekje dat hij een week voordien voor het eerst had ontdekt.

Hij droeg een kleine, blauwe rugzak en marcheerde als een goedgetrainde wandelaar. Lang duurde zijn tocht niet en na een paar honderd meter hield het pad op. Hij speurde heel aandachtig de omgeving af, stapte dan snel naar het nauwelijks zichtbare pad tussen een dichte bebossing en zette zijn tocht voort.

Na een poosje boog hij linksaf. Na een honderdtal meter kwam hij bij een open plek die met hoge varens begroeid was. Na enig zoeken vond hij een spoor van platgelopen bladeren, volgde dat tussen de dichte bomen en stond enkel stappen verder voor een brede kuip met schuin aflopende randen. Voldaan liet hij zijn rugzak op de grond vallen en pakte hij er een plooibare veldschop uit. Na een vluchtige blik over zijn schouder, sprong hij in de uitholling en liep zonder aarzelen tot aan de uiterste smalle rand. Met een grimmige trek om zijn mondhoeken begon hij te graven. Gelijkmatig verspreidde hij de aarde links en rechts van het gat.

Tot tweemaal toe hoorde hij een knappend geluid en verstijfde. Hij maakte zich klein, wachtte met bonkend hart en bleef doodstil staan. Maar nergens bespeurde hij een beweging.

Dieren? De boswachter?

Als er na een goede minuut niets gebeurde, zette hij zijn bezigheid voort. Een uur lang werkte hij verbeten door. Tot hij dacht dat de kleine kuil groot en diep genoeg was. Hij glimlachte voldaan, wierp de schop naast zijn rugzak en hees zich over de rand. Voorzichtig bedekte hij de opening met takken en legde er als laatste grote bladeren over. Zo verborg hij ook de twee hopen verse aarde en hield alles met dikkere takken op hun plaats. Dit zou een uitstekend valkuil zijn voor middelgrote dieren, dacht hij, zonder aan een specifiek dier te denken. Kon hem ook niet schele. Hij stak de schop in zijn rugzak en beoordeelde zijn werk. Zijn mondhoeken vertrokken zich tot een tevreden grijns. Na een laatste blik over zijn schouder, zocht hij weer zijn weg tussen de varens en bomen.

Hij was klaar voor de jacht.

Op de terugweg hoorde hij verschillende keren takken breken. Telkens bleef hij abrupt staan en tuurde minutenlang om zich heen, zonder ook maar iets te zien bewegen.

Inbeelding of wilde dieren, dacht hij. Toen een geschrokken hert tussen de bomen wegrende, lachte hij opgelucht.

Zijn wagen stond waar hij hem had achtergelaten. Achteloos smeet hij de rugzak in de laadruimte, schoof de deur dicht en stak een sigaret op. Na vijf lange halen, doofde hij de halfopgerookte stengel onder zijn voet en kroop achter het stuur.

Hij startte en reed met hoog tempo over de verharde weg. Gedurende twee kilometer hield hij de snelheid aan. Tot aan de splitsing met de hoofdweg waar hij links opdraaide richting vallei. Hij was tevreden. Het eerste deel van zijn plan was perfect uitgevoerd.

Toen hij thuiskwam, zag hij dat het kind niet meer buiten speelde. Ook de zware motor van zijn buurman was er niet meer.

***

Na een uitzonderlijk warm weekend was het die maandag iets frisser geworden. Toch wees de thermometer nog altijd twintig graden aan. Jonathan voelde zich in zijn nopjes. Ook het tweede deel van zijn plan verliep uitstekend. Hij wendde de grijze combi naar links, verliet de hoofdweg en reed over de verharde weg richting jagershut. Daar voorbij, parkeerde hij tussen de bomen, stapte uit, stak een sigaret op en slenterde langzaam naar de achterkant van zijn voertuig. Zweetdruppeltjes parelden op zijn voorhoofd, zijn neusvleugels trilden en op zijn poppengezicht lag een gespannen uitdrukking. Zijn hele lichaam beefde van opwinding en verwachting.

Diep inhalerend alsof nicotine en teer zijn zenuwen zouden kalmeren, speurde hij als een gejaagd dier de omgeving af. Nergens een aanwijzing die de aanwezigheid verraadde van een levend wezen. Hij trapte de halfopgerookte sigaret uit, keek een laatste keer rond en trok met een krachtige beweging de deur van de laadruimte open. Op de bodem lag een blauwe rugzak die hij meteen omdeed. Vervolgens sloeg hij het deksel van een lange houten kist open, trok er een jutezak uit en zwierde die met enige moeite over zijn schouder. Nadat hij het portier met een korte ruk had dicht gesmeten, drukte hij tweemaal de knop van zijn autosleutel. Een korte, metaalachtige klik bevestigde de vergrendeling. Zonder omkijken holde hij naar zijn weggetje om zo snel mogelijk bescherming te vinden tussen de dichte pijnbomen. Deze maakten hem onzichtbaar voor toevallige wandelaars op de talrijke bospaden.

Nu had hij weinig oog voor de natuur. Gejaagd volgde hij zijn eigen spoor en bereikte hijgend de open plek waar hij een paar dagen eerder een gat had gegraven. Buiten adem en sterk zwetend, liet hij de rugzak van zijn schouder op de grond glijden en wierp de jutezak achteloos langs de rand van de kuip. Dan bleef hij kaarsrecht staan, luisterde gespannen en draaide zich langzaam om.

Er kraakte iets.

Onrustig geworden, keek hij in de richting vanwaar het geluid was gekomen. Niets. Waarschijnlijk een dier. Maar hij hoorde een nieuw zwak geluid. Deze keer kwam het van de andere kant. Zijn zesde zintuig voor gevaar alarmeerde hem. Hij bleef een tijdlang roerloos staan, het hoofd iets scheef, alsof hij zo zijn gehoor kon scherpen.

Hier is niemand, verdomme. Hij draaide zich naar de uitholling om en bleef midden in de beweging abrupt staan.

‘Hallo, Jonathan.’ De zachte stem vanachter zijn rug bezorgde hem een koude rilling. De boswachter? Waar kwam die ineens vandaan? Hij had hem al weken niet meer gezien.

Langzaam draaide hij zich om, zijn gezichtsuitdrukking een mengeling van verrassing en angst.

Dat is hier mijn plaats, mijn jachtgebied. Woedend maakte hij zich klaar om toe te slaan. Instinctief omvatte zijn rechterhand het gevest van het jachtmes dat tussen zijn broeksriem stak.

‘Dat zou ik niet doen,’ zei dezelfde monotone stem.

Jij bent dood, mijn beste. Jonathan huiverde. Zijn ogen lichtten op en er lag een grimmig vastberaden trek op zijn gezicht. Toch bleef hij doodstil staan, zijn blik strak gericht op de man in spreidstand, nauwelijks tien passen van hem vandaan. Hij droeg een militair gevechtspak, een groene wollen muts, het gezicht met houtskool beschilderd en hij was bijna onherkenbaar. Zijn fonkelende ogen bezorgden Jonathan ijskoude rillingen, maar het meest beangstigende was wat de kerel op hem gericht hield. Jonathan wist weinig af van vuurwapens, maar genoeg om een pistool met geluiddemper te herkennen.

Op dat moment herkende hij ook de man.

Peer Vandam.

***

Jonathan beefde van machteloze woede. Tientallen vragen raasden door zijn hoofd. Vooral de camouflage verontrustte hem. Een ex-militair? Waarom een geluiddemper?

‘Wat doe jij hier?’ vroeg hij brutaal. Hij moest tijd zien te winnen want de man stond te veraf om hem te kunnen verrassen.

‘Dat is lang geleden, nietwaar? Vijftien jaar lang heb ik hierop moeten wachten.’

Jonathan begreep er niets van. Wie ben jij eigenlijk?’ Hij kende Vandam enkel als de lastige buurman die onlangs in de chalet naast dat van hem was komen wonen. Voordien had hij die vent nog nooit gezien. Dit moest een vergissing zijn.

‘Vijftien jaar geleden heb je mijn dochtertje vermoord,’ vervolgde Vandam met hese stem.

De rimpels op Jonathans voorhoofd werden dieper.

‘Dan heb je de verkeerde voor je,’ antwoordde hij kortaf en hij schudde zijn hoofd vol onbegrip. Hij vroeg zich af of Vandam uit zijn geboortedorp kwam. Zijn armen vielen slap langs zijn lichaam en zijn vingers trilden licht. Een sigaret was nu welkom, maar hij durfde zich niet te verroeren.

‘Vijftien jaar lang heb ik op dit moment gewacht, mijn beste,’ herhaalde de buurman zonder zijn stem te verheffen. Alsof de categorieke ontkenning niet tot hem was doorgedrongen.

‘Maar ik ken je niet,’ schreeuwde Jonathan wanhopig.

‘Toch wel, maar dat besef je nog niet,’ zei Vandam. Zijn stem klonk ineens ijzig. ‘Ik zat tussen het publiek toen de rechter je vijf jaar gaf. Voor twee moorden! Om van te kotsen. Trouwens, na amper twee jaar hebben die idioten je alweer vrijgelaten.’

Wie was die vent? Hoe hard hij ook nadacht, hij had nog nooit iets over een Vandam gehoord.

‘Ik ben nog nooit voor moord veroordeeld,’ stamelde hij, en hij zette een stap naar voren. Die kerel is gek. Hij voelde het gevest tegen zijn handpalm, maar waagde het niet de dolk te ontbloten. Nog even wachten, hem eerst afleiden.

Op Vandams beschilderde gezicht lag een dromerige uitdrukking. Hij haalde zijn schouders op en scheen niet te merken dat Jonathan centimeter na centimeter dichterbij schoof. ‘Wat maakt het uit of je nu ontkent of niet. Je bent veroordeeld voor verkrachting omdat de politie onvoldoende bewijzen had.’ Zijn afwezige blik bleef op Jonathan gericht, lichtte even op, en hij ging verder. ‘Ben je Kimberly en Alice vergeten? Toen ik jouw gezicht in de krant zag, wist ik dat jij het was. Stel je voor, ik heb je van een vergeten robotfoto herkend. Tevens kon ik het in je ogen lezen. Voordat je voor verkrachting voor de rechter verscheen, had ik foto’s van jou in mijn dorp laten rondgaan en meerdere getuigen meenden je daar inderdaad te hebben gezien. Maar jammer genoeg niet samen met Kimberly, noch met Alice. Voor de politie was dat onvoldoende bewijs. Maar niet voor mij. Omdat men de zaak toen zo snel mogelijk wilde afsluiten, stuurde de onderzoeksrechter je naar de correctionele rechtbank.’

‘Je bent gek,’ schreeuwde Jonathan wanhopig.

Vandam vertrok geen spier.

‘O nee, helemaal niet,’ zei hij op bijzonder rustige toon. ‘Stel je voor, toen ze je weer vrijlieten, heb ik je opgespoord en je nietsvermoedende broer heeft me daarbij geholpen. Neem het Dirk niet kwalijk, hij denkt dat ik een vriend ben.’

‘Laten we daarmee ophouden, ik wil niet langer…’ Jonathan voelde dat zijn belager niet te vermurwen was en waagde zijn kans. Als ik tussen de varens kan komen, ben ik veilig. Onverwacht sprong hij zijwaarts en zette het op een lopen. Hij bleef zo diep mogelijk gebukt en na een paar lange passen begon hij in zijn kansen te geloven. Zijn enige redding lag amper vijf meter verder in het bos, want daar zou hij Vandam wel kwijt spelen. Hij was hier thuis en kende praktisch elke boom en elke mogelijke schuilplaats.

Een ploffend geluid maakte een einde aan alle hoop. Nog voordat de pijn merkbaar werd, zakte hij door zijn rechterknie, verloor het evenwicht en rolde over de grond.

Gedurende ettelijke seconden krijste Jonathan als een gekeeld varken. Na een poosje sleepte hij zich moeizaam op zijn buik naar de dichtstbijzijnde boom. Kreunend draaide hij zijn lichaam om, schoof hij met de rug tegen de stam omhoog totdat hij enigszins recht zat en hij omvatte met beide handen zijn gewonde knie. De broekspijp verkleurde snel en bloed druppelde op de groene bladeren.

‘Ik heb een dokter nodig,’ gilde hij in paniek.

Vandam stond nog steeds op dezelfde plaats in spreidstand. Hij had zich nauwelijks bewogen, alleen de uitdrukking op zijn gezicht was harder geworden. Meedogenloos en vastberaden. Op dat moment besefte Jonathan dat zijn leven op het spel stond. Hij moest die gek kunnen overtuigen.

Niemand kan me hier horen en die vent wil me vermoorden.

‘Ik weet dat jij mijn dochtertje hebt vermoord,’ hervatte Vandam zijn beschuldigingen. ‘Meer nog. Twee jaar nadat je haar in een bosje had begraven, ben je weer in ons dorp geweest en je hebt nog een ander meisje vermoord. Alice. Maar je hebt dat arme kind niet diep genoeg begraven. Wilde dieren hebben haar opgescharreld. Daarna vond een wandelaar haar resten en er bleef nog net genoeg over om haar te kunnen identificeren. De politie heeft meteen de omgeving nader onderzocht en zo hebben ze uiteindelijk ook Kimberly gevonden.’

Vandam slaakte een diepe zucht, deed twee stappen in Jonathans richting en sprak opnieuw. ‘Toen je eindelijk voor verkrachting werd gevat, waren er onvoldoende bewijzen voor die moorden en zo ben je nu weer op vrije voeten, klaar om nieuwe slachtoffers te maken. Je geluk is echter van korte duur. Ik wist dat je zou herbeginnen. Die onbedwingbare driften moeten je bijna gek hebben gemaakt. Ik heb je gadegeslagen en heb gezien hoe je onophoudelijk naar dat jonge kind tegenover ons chalet stond te staren. Overal heb ik kleine camera’s opgesteld en zo kon ik gemakkelijk jouw huis observeren. Tevens is er een gps in je bestelwagen gemonteerd waardoor ik je altijd van op veilige afstand kon volgen.’

Vandam naderde de gekwetste tot op een paar stappen. Met zijn kapotte knieschijf begreep Jonathan dat hij weinig kon uitrichten tegen de man wiens poppengezicht een lelijk vertrokken masker geworden was. Elk moment verwachte hij het fatale schot, en hij vroeg zich af of hij het zou voelen.

‘Ik heb je dochter nooit…’ probeerde hij opnieuw, huilend van de pijn en wanhoop.

Vandams gezicht vertrok in een minachtende grijns. ‘Zwijg, en gedraag je eindelijk eens als een echte vent. Vijftien jaar heb ik op deze dag gewacht, dus stel mijn geduld niet zo op de proef,’ zei hij zonder enige emotie. ‘Je hebt mijn dochter verkracht, vermoord en begraven en hetzelfde deed je met Alice. Altijd dezelfde modus operandi. Ik wist dat je het vroeg of laat opnieuw zou doen. Ik hoefde alleen geduld te hebben. En mijn oordeel zal niet zo clement zijn als dat van de rechtbank. Dat is gebaseerd op “gerechtigheid” en niet op “wettelijkheid”. Ik ben geen moordenaar, wat het gerecht er ook moge over denken. Ik veroordeel nooit zonder onweerlegbaar bewijs. Sinds dagen volg ik je en toen je hier zaterdag kwam graven, begreep ik wat je voorhad. Ik wist dat je hier zou terugkomen en ik hoefde hier enkel op jou te wachten.’

Jonathan besefte nu dat hij zich de vreemde geluiden zaterdag niet had ingebeeld. Vandam was ook in het bos geweest.

‘Je bent gek, ik verbloed hier. Bel een dokter…We kunnen die zaak later bespreken en dan zal ik je bewijzen dat ik niets met die moorden te maken heb,’ schreeuwde Jonathan wanhopig. ‘Als je gerechtigheid zoekt, dan zorg ervoor dat je de juiste man treft.’

‘Die heb ik. Ik weet hoe je in elkaar steekt. Eerst zoek je een geschikte plaats, dan graaf je een kuil en als je een slachtoffer hebt gevonden, breng je het naar die plaats om ongestoord jouw lusten bot te vieren. Door alles op voorhand te plannen en de misdaad locatie voor te bereiden, verlies je weinig tijd. Op die manier laat je ook geen sporen achter.’

Vandam deed een stap in de richting van de jutezak, knielde ernaast en begon de knoop los te maken.

‘Nou goed, indien ik geen bewijs kan aanvoeren, laat ik je vrij,’ zei Vandam met een brede glimlach. ‘Als er niets in deze zak steekt, laat ik je gaan.’ Voorzichtig schoof hij de randen naar beneden en onthulde het roerloze lichaam van een jong meisje dat niet ouder leek dan negen jaar. Hij legde de vingers tegen haar halsslagader.

‘Ze leeft nog,’ zei hij. ‘Je was voorzichtig genoeg om niet het buurmeisje te pakken, maar zij was de aanleiding, nietwaar? Ze heeft je waanzinnig gemaakt en uiteindelijk heb je toegegeven aan je dierlijke impulsen. Dit kind hier zou het volgend slachtoffer zijn. Waar heb je haar in de auto gesleurd?’

‘Loop naar de hel.’ Een geluid van een ontstopte champagnefles was het antwoord en de kogel verbrijzelde zijn andere knie. Jonathan slaakte een haast onmenselijke kreet. Vandam haalde een kleine dictafoon uit zijn broekzak, controleerde of het nog aanstond en richtte de loop van zijn pistool op de rechterarm van de krijsende man.

‘Waar heb je dit kind hier gevonden?’

Jonathans schouders schokten onregelmatig op en neer. ‘Niet ver van de school…Ik heb haar een lift gegeven,’ snikte hij.

‘Met wat heb je haar verdoofd?’

‘Ongevaarlijk spul, een spuit met een product dat haar voor een paar uren stilhoudt. Alles euh ligt in de auto,’ kreunde hij.

‘Heb jij Kimberly en Alice vermoord?’

‘Ik euh,’

‘Laatste kans, heb jij Kimberly en …’

‘Ja,’ krijste hij. ‘Ik heb euh Kimberly en Alice vermoord. Maar dat telt toch niet voor de rechtbank. Ik doe deze verklaringen onder bedreiging.’

‘Maakt niet uit. Heb je nog andere moorden op je geweten? Je wilt me toch niet laten geloven dat je na Alice, acht jaar lang braaf bent geweest.’

‘Nee.’ Het antwoord klonk te snel naar Vandams mening.

‘Nee wat?’

‘Nee. Ja, toch, nog drie andere meisjes.’

Geef hem zijn zin, dacht hij.

‘Waar?’

‘Spa, Luik, Genk, ben de plaatsen vergeten.’ Zijn stem was nog een moeizaam gerochel en hij leed enorme pijn. ‘Ik ken hun naam niet.’

‘Dat volstaat voor mij. Wees gelukkig dat ik weinig tijd heb. Wil je nog even bidden vooraleer met het hiernamaals kennis te maken?’ Vandams stem veranderde geen moment van intonatie. Hij scheen alle menselijke gevoelens verloren te hebben.

Die kerel is stapel.

‘Alsjeblieft, laat me leven, ik heb mijn straf uitgezeten,’ huilde hij.

Vandams ogen sperden zich wijd open. ‘Jouw straf uitgezeten? Hoe durf je. Had jij medelijden met jouw slachtoffers?’ Hij richtte en drukte af. De kogel trof de huilende kinderverkrachter in zijn kruis en zijn broek was zeer snel door het spuitende bloed doordrenkt. Jonathan brulde zijn keel schor in het besef dat hij zou sterven. Hij zag geen enkele reden waarom de man hem nu nog zou laten leven. De adrenaline bezorgde hem extra kracht, maar Vandam had hem tot invalide gemaakt. Wat hij ook probeerde, zijn knieën weigerden alle dienst.

Peer Vandam schudde zijn hoofd. Jonathans geschreeuw hield niet op. Smekend keek hij naar zijn buurman, maar in diens ogen las hij het ultieme oordeel. Voordat hij nog iets kon zeggen, trof een kogel hem tussen zijn ogen. Het onmenselijke geschreeuw stierf weg.

‘Een monster minder,’ mompelde Vandam tussen zijn tanden.

Een half uur later zag een getuige Jonathan Farouches bestelwagen het bos uitrijden.

***

Tegen het vallen van de avond kreeg de politie van Spa een anoniem telefoontje van een man die beweerde dat er een gekidnapt kind in een bestelwagen lag. Volgens zijn aanwijzingen stond de auto op een parking langs de grote weg van Spa naar Verviers.

Ondertussen hadden de ouders de verdwijning van hun dochter gemeld, maar de politie had geweigerd om meteen alarm te slaan.

Toen de rechercheurs het vermiste meisje in het gemelde voertuig terugvonden, waren ze enorm opgelucht. Het kind werd onmiddellijk naar het hospitaal vervoerd, maar kon dezelfde avond weer naar huis. Intussen had de politie ontdekt aan wie de wagen behoorde.

In een korte persconferentie loofde de procureur de lokale politie voor de snelle oplossing van de zaak, hoewel hij wist dat deze weinig had gedaan om de zaak op te lossen. Daarom verzweeg hij het anoniem telefoontje. De politie kon best goede kritiek gebruiken.

Wat was de verrassing groot toen de recherche in Farouches chalet binnendrong. Op de salontafel vonden ze een grote omslag met een gedrukte brief, een geheugenchip en tientallen foto’s. De meeste plaatjes toonden Farouche in zijn woning aan het venster, kijkend naar een spelend meisje aan de overkant op het gras. Maar er waren ook portretten van twee meisjes.

De inhoud van de brief sloeg de inspecteurs met verstomming. Ze hadden niet alleen met een pedofiel te maken, maar ook met een tweede individu dat het recht in eigen handen nam. Afgezien van de mededeling dat Farouche het meisje had ontvoerd en een gerechtelijk verleden had, schreef de onbekende dat “het monster” eindelijk zijn gerechte straf had gekregen en dat hijzelf voorgoed zou verdwijnen.

Het beluisteren van de geluidsbestanden liet over Farouches lot weinig twijfel bestaan. Het duurde ook niet lang voordat de techneuten begrepen dat de camera’s op afstand bediend waren. Maar ze konden er geen enkele vinden. De in het voertuig gevonden vet- en olievlekken brachten de inspecteurs op het spoor van een motorfiets en het duurde niet lang meer voordat ze begrepen dat degene die de camera’s had geplaatst en bediend, in de onmiddellijke omgeving moest wonen. Waarschijnlijk een buurman.

Toen ze een deur-aan-deur onderzoek deden, bleek Peer Vandam als van de aardbodem verdwenen en het resultaat van de huiszoeking was voor de specialisten een nieuw raadsel. Het was alsof Vandam daar nooit had gewoond. Er was ook niemand in de vallei die een duidelijke persoonsbeschrijving van hem kon geven. Telkens ze hem hadden gezien, zat hij op zijn zware motorfiets, volledig in het leder gekleed met helm en bril. Hij had met niemand enig contact gehad en alleen de verhuurder had oog in oog met hem gestaan. Hij beweerde dat de vent pikzwart haar had, volle baard en altijd een zonnebril droeg. Daar hij voor zes maanden vooruitbetaalde, had de verhuurder zich tevredengesteld met het noteren van de gegevens van zijn identiteitskaart.

Nergens vonden de techneuten Vandams vingerafdrukken, noch enig bruikbaar DNA-materiaal. Peer Vandam had geen enkel spoor achtergelaten.

Ondertussen had de onderzoeksrechter begrepen dat deze man het leven van het meisje had gered. Maar hij wilde weten waar Farouches lijk gebleven was. Bovendien wilde hij zo snel mogelijk deze bestrijder van het onrecht achter de tralies.

Met wat hij op de geluidsbestanden had gehoord en nadat hij de foto’s van de meisjes met de zaak Alice en Kimberly in verbinding had gebracht, hoopte hij deze moderne wreker snel te kunnen inrekenen. Toen hij de dossiers doornam, vond hij echter geen enkel spoor van een Peer Vandam. Het werd nog mysterieuzer toen hij de naam ook niet in het Nationaal Register vond.

De vader van Kimberly heette Gil Deprez. Tijdens een storm in de Middellandse zee was hij van een jacht overboord gespoeld en zijn lijk was nooit gevonden. Korte tijd daarop had de moeder zelfmoord gepleegd, terwijl een rechtbank Deprez een jaar later definitief dood had verklaard.

De man die het huurcontract onder de naam “Vandam” had ondertekend, bezat een valse identiteitskaart.

Achter deze naam school dus iemand die zorgvuldig zijn verleden had gewist. Ging het om de dood gewaande Gil Deprez?

‘Nee,’ zeiden zijn bekenden en familieleden, nadat ze de stem op de geheugenchip hadden gehoord. Het bleek ook niet de stem van Alices vader te zijn. Bovendien had die een alibi.

Ook al handelde de politie drie onopgeloste zaken af, de lijken van deze slachtoffers en dat van Farouche werden nooit gevonden. Ondanks de ingezette middelen en een Internationaal opsporingsbevel, kon de man die kinderverkrachters ombracht en op een motorfiets rondreed, nooit worden gevat. Het duurde dan ook niet lang voordat er fantasierijke verhalen de ronde deden.

In de volksmond fluisterde men dat Gil Deprez zijn eigen dood in scene had gezet om de moord op zijn dochter te kunnen wreken. De gerechtelijke diensten beschouwden dit als onzinnige dorpspraat. Maar Vandam had een verkeerd vonnis rechtgezet en wellicht wachtte hij op een nieuwe, gerechtelijke dwaling.

Een onopvallende eenzame man, sportief en weinig spraakzaam.

Een nieuwsgierige buurman.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *