De buurman

Jonathan Farouche zat niet goed in zijn vel. Op het ene moment kreeg hij het koud, op het andere moment parelden kleine zweetdruppels op zijn voorhoofd. Hij kende deze symptomen van rusteloosheid en hij zuchtte gekweld. Met een ruk draaide hij zich van het raam weg en hij liep verstoord naar de rustbank.

Ik moet me beheersen, mompelde hij binnensmonds. Afwezig dronk hij een slokje vruchtensap, zette hij het glas op het salontafeltje, ging hij achterover zitten en sloot hij zijn ogen.

Gelukkig was Dirk er toen ze me vrijlieten, dacht hij. Dirk woonde in het noorden van het land, in hun geboortedorp waar ze waren opgegroeid. Wat zou hij zonder zijn jongere broer begonnen zijn?

Dirk had geen ogenblik geaarzeld om hem zijn zomerverblijf ter beschikking te stellen; een chalet waarin hij normaal zijn jaarlijks verlof met vrouw en kroost doorbracht. “Je moogt er blijven totdat je een eigen logement hebt gevonden,” had hij gezegd.

Dirk is een prima kerel.

Sinds zijn vrijlating werkte Jonathan als installateur bij een computerbedrijf. Hoewel hij weinig verdiende, had hij een dienstwagen gekregen waarmee hij, mits betalen van de brandstof, ook privé mocht rondrijden. Tevens hield hij van deze prachtige, door dichte bossen omringde vallei, waarin hij tijdens de weekends veel ging wandelen. In deze bijna ongerepte natuur kon hij zich als amateurfotograaf uitleven. Hij kende er elke wandelweg, alle verborgen paadjes en de meest interessante plaatsen. Regelmatig ging hij met zijn camera op speurtocht en maakte hij sublieme plaatjes. Thuis zat hij die urenlang te bewonderen, te analyseren terwijl allerlei fantasiebeelden door zijn hoofd raasden. In deze prachtige natuur voelde hij zich vrij en het woud was zijn tweede tehuis geworden.

Hij opende zijn ogen en stond op. Gekweld door onrust en frustratie ging hij weer aan het raam staan. Wat een hitte. Opgesloten zitten maakte hem nerveus. De gevangenis had hem claustrofobisch gemaakt. ‘Ik moet naar buiten,’ schreeuwde het in hem.

Hij was een veertigjarige, goed uitziende kerel, lang en slank met ovaalvormig gezicht, helderblauwe ogen, fijne neus en smalle lippen. Een poppengezicht met overheersend vrouwelijke trekken, omhuld door lange blonde, golvende haren die op zijn schouders vielen. Door dit uiterlijk was hij in de gevangenis meerdere keren verkracht.

Zijn schichtige blik gleed over het huis aan de overkant van de weg en dwaalde langzaam af naar de zijkant waar een gazon zich uitstrekte tot tegen een twee meter hoge haag. Langs de weg, over de breedte van het grondstuk liep een ijzeren hek met in het midden een poortje dat toegang gaf naar een smal pad uit kiezelsteen dat bij de voordeur eindigde.

Op het gazon zat een meisje met een pop te spelen. Naar haar uiterlijk te oordelen was ze zo’n negen jaar oud. Jonathan vroeg zich af wie dat wel kon zijn aangezien de bejaarde bewoners geen kinderen hadden. Een kleinkind met vakantie? Hij naderde het raam, tuurde naar links en zag het uiteinde van de haag die de grens vormde tussen zijn domein en dat van zijn buur.

‘Peer,’ siste hij tussen de tanden alsof het om een dodelijk virus ging.

Zijn buur Peer Vandam, een alleenwonende man, bezorgde hem kippenvel en hij vertrouwde hem voor geen cent. Steeds dook die uit het niets op en stelde lastige vragen over zijn verleden. Wat wist hij daarover? Wat Jonathan echter het meest verontrustte was Vandams regelmatige aanwezigheid in de bossen. Tijdens zijn excursies was hij hem daar al een paar keer tegen het lijf gelopen. Dat kon geen toeval meer zijn. Wat zocht die akelige vent daar?

Verder dan “goedemorgen” en “goedenavond”, ging hun conversatie niet, want elke keer dat hij tegenover zijn vijftigjarige buurman stond, kreeg hij een onbehaaglijk gevoel in de maag. Hij vond hem een uiterst onsympathieke eikel wiens nieuwsgierigheid hem verontrustte. Hij was niet groter, noch gespierder, zag er slank en ondervoed uit. Dat gezicht met de ingevallen wangen, kromme neus, gladgeschoren schedel en diepliggende stekende ogen die als sintels brandden, gaven hem een demonische uitstraling. Toch liet hij zich door dat uiterlijk niet beetnemen. Vandam deed voortdurend aan sport en hij was beslist krachtiger dan hij liet uitschijnen.

Nauwelijks was Vandam daar ingetrokken of Jonathan had hem betrapt toen hij schaamteloos rond zijn wagen snuffelde. De kerel was helemaal niet van zijn stuk gebracht en had laconiek uitgelegd dat hij ook zo’n grijze bestelwagen wilde kopen.

Maar Jonathan had hem niet geloofd.

Ondanks zijn leeftijd gedroeg Vandam zich eerder als een jonge rocker die met een zware motor rondreed. Werk scheen hij ook niet te hebben want hij was meestal thuis. Dagelijks ging hij joggen.

Jonathan slaakte een diepe zucht en trachtte hem uit zijn hoofd te zetten. Terloops viel zijn blik weer op het kind dat met opgetrokken benen op de grasmat zat en tegen haar pop praatte. Hij lachte weemoedig. Hij hield zielsveel van kinderen maar wist dat hij er nooit zelf zou hebben.

Wie zal er met mij, een ex-gevangene willen trouwen?

Een lichte huivering doorvoer zijn lichaam en hij dacht aan wat hij de laatste jaren te verduren had gekregen.

Dat nooit meer.

Hij moest naar buiten. In deze drukkende hitte hield hij het niet meer uit.

Als een opgejaagd dier begon hij door de schaars gemeubelde woonkamer te ijsberen. Allerlei duistere gedachten doorstroomden zijn hersenen. Zou Vandam thuis zijn? Was het mogelijk dat die engerd hem bespioneerde?

Verdomme, jij brengt me niet van de wijs, dacht hij. ‘Loop naar de hel.’ Hij had zijn buurman die dag nog niet gezien en hij hoopte dat hun wegen zich niet zouden kruisen.

Vijf minuten later kroop hij achter het stuur van zijn combi, startte, gaf gas en reed de weg op.

Toen hij het huis van zijn buurman passeerde, zag hij dat die aan het open venster stond. Een ijskoude rilling trok door zijn lichaam.

Peer Vandam grijnsde breed, keek naar hem en knipoogde.

***

Een uur later wandelde Jonathan langs een smal paadje tussen hoge groene varens. Zijn wagen had hij zo’n honderd meter verderop tussen de bomen laten staan, dicht bij een houten blokhut die tijdens het jachtseizoen door jagers werd gebruikt. Hij haastte zich naar een verlaten plekje dat hij een week voordien voor het eerst had ontdekt.

Hij droeg een kleine, blauwe rugzak en marcheerde als een goedgetrainde wandelaar. Lang duurde zijn tocht niet en na een paar honderd meter hield het pad op. Hij speurde heel aandachtig de omgeving af, stapte dan snel naar het nauwelijks zichtbare pad tussen een dichte bebossing en zette zijn tocht voort.

Na een poosje boog hij linksaf. Na een honderdtal meter kwam hij bij een open plek die met hoge varens begroeid was. Na enig zoeken vond hij een spoor van platgelopen bladeren, volgde dat tussen de dichte bomen en stond enkel stappen verder voor een brede kuip met schuin aflopende randen. Voldaan liet hij zijn rugzak op de grond vallen en pakte hij er een plooibare veldschop uit. Na een vluchtige blik over zijn schouder, sprong hij in de uitholling en liep zonder aarzelen tot aan de uiterste smalle rand. Met een grimmige trek om zijn mondhoeken begon hij te graven. Gelijkmatig verspreidde hij de aarde links en rechts van het gat.

Tot tweemaal toe hoorde hij een knappend geluid en verstijfde. Hij maakte zich klein, wachtte met bonkend hart en bleef doodstil staan. Maar nergens bespeurde hij een beweging.

Dieren? De boswachter?

Als er na een goede minuut niets gebeurde, zette hij zijn bezigheid voort. Een uur lang werkte hij verbeten door. Tot hij dacht dat de kleine kuil groot en diep genoeg was. Hij glimlachte voldaan, wierp de schop naast zijn rugzak en hees zich over de rand. Voorzichtig bedekte hij de opening met takken en legde er als laatste grote bladeren over. Zo verborg hij ook de twee hopen verse aarde en hield alles met dikkere takken op hun plaats. Dit zou een uitstekend valkuil zijn voor middelgrote dieren, dacht hij, zonder aan een specifiek dier te denken. Kon hem ook niet schele. Hij stak de schop in zijn rugzak en beoordeelde zijn werk. Zijn mondhoeken vertrokken zich tot een tevreden grijns. Na een laatste blik over zijn schouder, zocht hij weer zijn weg tussen de varens en bomen.

Hij was klaar voor de jacht.

Op de terugweg hoorde hij verschillende keren takken breken. Telkens bleef hij abrupt staan en tuurde minutenlang om zich heen, zonder ook maar iets te zien bewegen.

Inbeelding of wilde dieren, dacht hij. Toen een geschrokken hert tussen de bomen wegrende, lachte hij opgelucht.

Zijn wagen stond waar hij hem had achtergelaten. Achteloos smeet hij de rugzak in de laadruimte, schoof de deur dicht en stak een sigaret op. Na vijf lange halen, doofde hij de halfopgerookte stengel onder zijn voet en kroop achter het stuur.

Hij startte en reed met hoog tempo over de verharde weg. Gedurende twee kilometer hield hij de snelheid aan. Tot aan de splitsing met de hoofdweg waar hij links opdraaide richting vallei. Hij was tevreden. Het eerste deel van zijn plan was perfect uitgevoerd.

Toen hij thuiskwam, zag hij dat het kind niet meer buiten speelde. Ook de zware motor van zijn buurman was er niet meer.

***

Na een uitzonderlijk warm weekend was het die maandag iets frisser geworden. Toch wees de thermometer nog altijd twintig graden aan. Jonathan voelde zich in zijn nopjes. Ook het tweede deel van zijn plan verliep uitstekend. Hij wendde de grijze combi naar links, verliet de hoofdweg en reed over de verharde weg richting jagershut. Daar voorbij, parkeerde hij tussen de bomen, stapte uit, stak een sigaret op en slenterde langzaam naar de achterkant van zijn voertuig. Zweetdruppeltjes parelden op zijn voorhoofd, zijn neusvleugels trilden en op zijn poppengezicht lag een gespannen uitdrukking. Zijn hele lichaam beefde van opwinding en verwachting.

Diep inhalerend alsof nicotine en teer zijn zenuwen zouden kalmeren, speurde hij als een gejaagd dier de omgeving af. Nergens een aanwijzing die de aanwezigheid verraadde van een levend wezen. Hij trapte de halfopgerookte sigaret uit, keek een laatste keer rond en trok met een krachtige beweging de deur van de laadruimte open. Op de bodem lag een blauwe rugzak die hij meteen omdeed. Vervolgens sloeg hij het deksel van een lange houten kist open, trok er een jutezak uit en zwierde die met enige moeite over zijn schouder. Nadat hij het portier met een korte ruk had dicht gesmeten, drukte hij tweemaal de knop van zijn autosleutel. Een korte, metaalachtige klik bevestigde de vergrendeling. Zonder omkijken holde hij naar zijn weggetje om zo snel mogelijk bescherming te vinden tussen de dichte pijnbomen. Deze maakten hem onzichtbaar voor toevallige wandelaars op de talrijke bospaden.

Nu had hij weinig oog voor de natuur. Gejaagd volgde hij zijn eigen spoor en bereikte hijgend de open plek waar hij een paar dagen eerder een gat had gegraven. Buiten adem en sterk zwetend, liet hij de rugzak van zijn schouder op de grond glijden en wierp de jutezak achteloos langs de rand van de kuip. Dan bleef hij kaarsrecht staan, luisterde gespannen en draaide zich langzaam om.

Er kraakte iets.

Onrustig geworden, keek hij in de richting vanwaar het geluid was gekomen. Niets. Waarschijnlijk een dier. Maar hij hoorde een nieuw zwak geluid. Deze keer kwam het van de andere kant. Zijn zesde zintuig voor gevaar alarmeerde hem. Hij bleef een tijdlang roerloos staan, het hoofd iets scheef, alsof hij zo zijn gehoor kon scherpen.

Hier is niemand, verdomme. Hij draaide zich naar de uitholling om en bleef midden in de beweging abrupt staan.

‘Hallo, Jonathan.’ De zachte stem vanachter zijn rug bezorgde hem een koude rilling. De boswachter? Waar kwam die ineens vandaan? Hij had hem al weken niet meer gezien.

Langzaam draaide hij zich om, zijn gezichtsuitdrukking een mengeling van verrassing en angst.

Dat is hier mijn plaats, mijn jachtgebied. Woedend maakte hij zich klaar om toe te slaan. Instinctief omvatte zijn rechterhand het gevest van het jachtmes dat tussen zijn broeksriem stak.

‘Dat zou ik niet doen,’ zei dezelfde monotone stem.

Jij bent dood, mijn beste. Jonathan huiverde. Zijn ogen lichtten op en er lag een grimmig vastberaden trek op zijn gezicht. Toch bleef hij doodstil staan, zijn blik strak gericht op de man in spreidstand, nauwelijks tien passen van hem vandaan. Hij droeg een militair gevechtspak, een groene wollen muts, het gezicht met houtskool beschilderd en hij was bijna onherkenbaar. Zijn fonkelende ogen bezorgden Jonathan ijskoude rillingen, maar het meest beangstigende was wat de kerel op hem gericht hield. Jonathan wist weinig af van vuurwapens, maar genoeg om een pistool met geluiddemper te herkennen.

Op dat moment herkende hij ook de man.

Peer Vandam.

***

Jonathan beefde van machteloze woede. Tientallen vragen raasden door zijn hoofd. Vooral de camouflage verontrustte hem. Een ex-militair? Waarom een geluiddemper?

‘Wat doe jij hier?’ vroeg hij brutaal. Hij moest tijd zien te winnen want de man stond te veraf om hem te kunnen verrassen.

‘Dat is lang geleden, nietwaar? Vijftien jaar lang heb ik hierop moeten wachten.’

Jonathan begreep er niets van. Wie ben jij eigenlijk?’ Hij kende Vandam enkel als de lastige buurman die onlangs in de chalet naast dat van hem was komen wonen. Voordien had hij die vent nog nooit gezien. Dit moest een vergissing zijn.

‘Vijftien jaar geleden heb je mijn dochtertje vermoord,’ vervolgde Vandam met hese stem.

De rimpels op Jonathans voorhoofd werden dieper.

‘Dan heb je de verkeerde voor je,’ antwoordde hij kortaf en hij schudde zijn hoofd vol onbegrip. Hij vroeg zich af of Vandam uit zijn geboortedorp kwam. Zijn armen vielen slap langs zijn lichaam en zijn vingers trilden licht. Een sigaret was nu welkom, maar hij durfde zich niet te verroeren.

‘Vijftien jaar lang heb ik op dit moment gewacht, mijn beste,’ herhaalde de buurman zonder zijn stem te verheffen. Alsof de categorieke ontkenning niet tot hem was doorgedrongen.

‘Maar ik ken je niet,’ schreeuwde Jonathan wanhopig.

‘Toch wel, maar dat besef je nog niet,’ zei Vandam. Zijn stem klonk ineens ijzig. ‘Ik zat tussen het publiek toen de rechter je vijf jaar gaf. Voor twee moorden! Om van te kotsen. Trouwens, na amper twee jaar hebben die idioten je alweer vrijgelaten.’

Wie was die vent? Hoe hard hij ook nadacht, hij had nog nooit iets over een Vandam gehoord.

‘Ik ben nog nooit voor moord veroordeeld,’ stamelde hij, en hij zette een stap naar voren. Die kerel is gek. Hij voelde het gevest tegen zijn handpalm, maar waagde het niet de dolk te ontbloten. Nog even wachten, hem eerst afleiden.

Op Vandams beschilderde gezicht lag een dromerige uitdrukking. Hij haalde zijn schouders op en scheen niet te merken dat Jonathan centimeter na centimeter dichterbij schoof. ‘Wat maakt het uit of je nu ontkent of niet. Je bent veroordeeld voor verkrachting omdat de politie onvoldoende bewijzen had.’ Zijn afwezige blik bleef op Jonathan gericht, lichtte even op, en hij ging verder. ‘Ben je Kimberly en Alice vergeten? Toen ik jouw gezicht in de krant zag, wist ik dat jij het was. Stel je voor, ik heb je van een vergeten robotfoto herkend. Tevens kon ik het in je ogen lezen. Voordat je voor verkrachting voor de rechter verscheen, had ik foto’s van jou in mijn dorp laten rondgaan en meerdere getuigen meenden je daar inderdaad te hebben gezien. Maar jammer genoeg niet samen met Kimberly, noch met Alice. Voor de politie was dat onvoldoende bewijs. Maar niet voor mij. Omdat men de zaak toen zo snel mogelijk wilde afsluiten, stuurde de onderzoeksrechter je naar de correctionele rechtbank.’

‘Je bent gek,’ schreeuwde Jonathan wanhopig.

Vandam vertrok geen spier.

‘O nee, helemaal niet,’ zei hij op bijzonder rustige toon. ‘Stel je voor, toen ze je weer vrijlieten, heb ik je opgespoord en je nietsvermoedende broer heeft me daarbij geholpen. Neem het Dirk niet kwalijk, hij denkt dat ik een vriend ben.’

‘Laten we daarmee ophouden, ik wil niet langer…’ Jonathan voelde dat zijn belager niet te vermurwen was en waagde zijn kans. Als ik tussen de varens kan komen, ben ik veilig. Onverwacht sprong hij zijwaarts en zette het op een lopen. Hij bleef zo diep mogelijk gebukt en na een paar lange passen begon hij in zijn kansen te geloven. Zijn enige redding lag amper vijf meter verder in het bos, want daar zou hij Vandam wel kwijt spelen. Hij was hier thuis en kende praktisch elke boom en elke mogelijke schuilplaats.

Een ploffend geluid maakte een einde aan alle hoop. Nog voordat de pijn merkbaar werd, zakte hij door zijn rechterknie, verloor het evenwicht en rolde over de grond.

Gedurende ettelijke seconden krijste Jonathan als een gekeeld varken. Na een poosje sleepte hij zich moeizaam op zijn buik naar de dichtstbijzijnde boom. Kreunend draaide hij zijn lichaam om, schoof hij met de rug tegen de stam omhoog totdat hij enigszins recht zat en hij omvatte met beide handen zijn gewonde knie. De broekspijp verkleurde snel en bloed druppelde op de groene bladeren.

‘Ik heb een dokter nodig,’ gilde hij in paniek.

Vandam stond nog steeds op dezelfde plaats in spreidstand. Hij had zich nauwelijks bewogen, alleen de uitdrukking op zijn gezicht was harder geworden. Meedogenloos en vastberaden. Op dat moment besefte Jonathan dat zijn leven op het spel stond. Hij moest die gek kunnen overtuigen.

Niemand kan me hier horen en die vent wil me vermoorden.

‘Ik weet dat jij mijn dochtertje hebt vermoord,’ hervatte Vandam zijn beschuldigingen. ‘Meer nog. Twee jaar nadat je haar in een bosje had begraven, ben je weer in ons dorp geweest en je hebt nog een ander meisje vermoord. Alice. Maar je hebt dat arme kind niet diep genoeg begraven. Wilde dieren hebben haar opgescharreld. Daarna vond een wandelaar haar resten en er bleef nog net genoeg over om haar te kunnen identificeren. De politie heeft meteen de omgeving nader onderzocht en zo hebben ze uiteindelijk ook Kimberly gevonden.’

Vandam slaakte een diepe zucht, deed twee stappen in Jonathans richting en sprak opnieuw. ‘Toen je eindelijk voor verkrachting werd gevat, waren er onvoldoende bewijzen voor die moorden en zo ben je nu weer op vrije voeten, klaar om nieuwe slachtoffers te maken. Je geluk is echter van korte duur. Ik wist dat je zou herbeginnen. Die onbedwingbare driften moeten je bijna gek hebben gemaakt. Ik heb je gadegeslagen en heb gezien hoe je onophoudelijk naar dat jonge kind tegenover ons chalet stond te staren. Overal heb ik kleine camera’s opgesteld en zo kon ik gemakkelijk jouw huis observeren. Tevens is er een gps in je bestelwagen gemonteerd waardoor ik je altijd van op veilige afstand kon volgen.’

Vandam naderde de gekwetste tot op een paar stappen. Met zijn kapotte knieschijf begreep Jonathan dat hij weinig kon uitrichten tegen de man wiens poppengezicht een lelijk vertrokken masker geworden was. Elk moment verwachte hij het fatale schot, en hij vroeg zich af of hij het zou voelen.

‘Ik heb je dochter nooit…’ probeerde hij opnieuw, huilend van de pijn en wanhoop.

Vandams gezicht vertrok in een minachtende grijns. ‘Zwijg, en gedraag je eindelijk eens als een echte vent. Vijftien jaar heb ik op deze dag gewacht, dus stel mijn geduld niet zo op de proef,’ zei hij zonder enige emotie. ‘Je hebt mijn dochter verkracht, vermoord en begraven en hetzelfde deed je met Alice. Altijd dezelfde modus operandi. Ik wist dat je het vroeg of laat opnieuw zou doen. Ik hoefde alleen geduld te hebben. En mijn oordeel zal niet zo clement zijn als dat van de rechtbank. Dat is gebaseerd op “gerechtigheid” en niet op “wettelijkheid”. Ik ben geen moordenaar, wat het gerecht er ook moge over denken. Ik veroordeel nooit zonder onweerlegbaar bewijs. Sinds dagen volg ik je en toen je hier zaterdag kwam graven, begreep ik wat je voorhad. Ik wist dat je hier zou terugkomen en ik hoefde hier enkel op jou te wachten.’

Jonathan besefte nu dat hij zich de vreemde geluiden zaterdag niet had ingebeeld. Vandam was ook in het bos geweest.

‘Je bent gek, ik verbloed hier. Bel een dokter…We kunnen die zaak later bespreken en dan zal ik je bewijzen dat ik niets met die moorden te maken heb,’ schreeuwde Jonathan wanhopig. ‘Als je gerechtigheid zoekt, dan zorg ervoor dat je de juiste man treft.’

‘Die heb ik. Ik weet hoe je in elkaar steekt. Eerst zoek je een geschikte plaats, dan graaf je een kuil en als je een slachtoffer hebt gevonden, breng je het naar die plaats om ongestoord jouw lusten bot te vieren. Door alles op voorhand te plannen en de misdaad locatie voor te bereiden, verlies je weinig tijd. Op die manier laat je ook geen sporen achter.’

Vandam deed een stap in de richting van de jutezak, knielde ernaast en begon de knoop los te maken.

‘Nou goed, indien ik geen bewijs kan aanvoeren, laat ik je vrij,’ zei Vandam met een brede glimlach. ‘Als er niets in deze zak steekt, laat ik je gaan.’ Voorzichtig schoof hij de randen naar beneden en onthulde het roerloze lichaam van een jong meisje dat niet ouder leek dan negen jaar. Hij legde de vingers tegen haar halsslagader.

‘Ze leeft nog,’ zei hij. ‘Je was voorzichtig genoeg om niet het buurmeisje te pakken, maar zij was de aanleiding, nietwaar? Ze heeft je waanzinnig gemaakt en uiteindelijk heb je toegegeven aan je dierlijke impulsen. Dit kind hier zou het volgend slachtoffer zijn. Waar heb je haar in de auto gesleurd?’

‘Loop naar de hel.’ Een geluid van een ontstopte champagnefles was het antwoord en de kogel verbrijzelde zijn andere knie. Jonathan slaakte een haast onmenselijke kreet. Vandam haalde een kleine dictafoon uit zijn broekzak, controleerde of het nog aanstond en richtte de loop van zijn pistool op de rechterarm van de krijsende man.

‘Waar heb je dit kind hier gevonden?’

Jonathans schouders schokten onregelmatig op en neer. ‘Niet ver van de school…Ik heb haar een lift gegeven,’ snikte hij.

‘Met wat heb je haar verdoofd?’

‘Ongevaarlijk spul, een spuit met een product dat haar voor een paar uren stilhoudt. Alles euh ligt in de auto,’ kreunde hij.

‘Heb jij Kimberly en Alice vermoord?’

‘Ik euh,’

‘Laatste kans, heb jij Kimberly en …’

‘Ja,’ krijste hij. ‘Ik heb euh Kimberly en Alice vermoord. Maar dat telt toch niet voor de rechtbank. Ik doe deze verklaringen onder bedreiging.’

‘Maakt niet uit. Heb je nog andere moorden op je geweten? Je wilt me toch niet laten geloven dat je na Alice, acht jaar lang braaf bent geweest.’

‘Nee.’ Het antwoord klonk te snel naar Vandams mening.

‘Nee wat?’

‘Nee. Ja, toch, nog drie andere meisjes.’

Geef hem zijn zin, dacht hij.

‘Waar?’

‘Spa, Luik, Genk, ben de plaatsen vergeten.’ Zijn stem was nog een moeizaam gerochel en hij leed enorme pijn. ‘Ik ken hun naam niet.’

‘Dat volstaat voor mij. Wees gelukkig dat ik weinig tijd heb. Wil je nog even bidden vooraleer met het hiernamaals kennis te maken?’ Vandams stem veranderde geen moment van intonatie. Hij scheen alle menselijke gevoelens verloren te hebben.

Die kerel is stapel.

‘Alsjeblieft, laat me leven, ik heb mijn straf uitgezeten,’ huilde hij.

Vandams ogen sperden zich wijd open. ‘Jouw straf uitgezeten? Hoe durf je. Had jij medelijden met jouw slachtoffers?’ Hij richtte en drukte af. De kogel trof de huilende kinderverkrachter in zijn kruis en zijn broek was zeer snel door het spuitende bloed doordrenkt. Jonathan brulde zijn keel schor in het besef dat hij zou sterven. Hij zag geen enkele reden waarom de man hem nu nog zou laten leven. De adrenaline bezorgde hem extra kracht, maar Vandam had hem tot invalide gemaakt. Wat hij ook probeerde, zijn knieën weigerden alle dienst.

Peer Vandam schudde zijn hoofd. Jonathans geschreeuw hield niet op. Smekend keek hij naar zijn buurman, maar in diens ogen las hij het ultieme oordeel. Voordat hij nog iets kon zeggen, trof een kogel hem tussen zijn ogen. Het onmenselijke geschreeuw stierf weg.

‘Een monster minder,’ mompelde Vandam tussen zijn tanden.

Een half uur later zag een getuige Jonathan Farouches bestelwagen het bos uitrijden.

***

Tegen het vallen van de avond kreeg de politie van Spa een anoniem telefoontje van een man die beweerde dat er een gekidnapt kind in een bestelwagen lag. Volgens zijn aanwijzingen stond de auto op een parking langs de grote weg van Spa naar Verviers.

Ondertussen hadden de ouders de verdwijning van hun dochter gemeld, maar de politie had geweigerd om meteen alarm te slaan.

Toen de rechercheurs het vermiste meisje in het gemelde voertuig terugvonden, waren ze enorm opgelucht. Het kind werd onmiddellijk naar het hospitaal vervoerd, maar kon dezelfde avond weer naar huis. Intussen had de politie ontdekt aan wie de wagen behoorde.

In een korte persconferentie loofde de procureur de lokale politie voor de snelle oplossing van de zaak, hoewel hij wist dat deze weinig had gedaan om de zaak op te lossen. Daarom verzweeg hij het anoniem telefoontje. De politie kon best goede kritiek gebruiken.

Wat was de verrassing groot toen de recherche in Farouches chalet binnendrong. Op de salontafel vonden ze een grote omslag met een gedrukte brief, een geheugenchip en tientallen foto’s. De meeste plaatjes toonden Farouche in zijn woning aan het venster, kijkend naar een spelend meisje aan de overkant op het gras. Maar er waren ook portretten van twee meisjes.

De inhoud van de brief sloeg de inspecteurs met verstomming. Ze hadden niet alleen met een pedofiel te maken, maar ook met een tweede individu dat het recht in eigen handen nam. Afgezien van de mededeling dat Farouche het meisje had ontvoerd en een gerechtelijk verleden had, schreef de onbekende dat “het monster” eindelijk zijn gerechte straf had gekregen en dat hijzelf voorgoed zou verdwijnen.

Het beluisteren van de geluidsbestanden liet over Farouches lot weinig twijfel bestaan. Het duurde ook niet lang voordat de techneuten begrepen dat de camera’s op afstand bediend waren. Maar ze konden er geen enkele vinden. De in het voertuig gevonden vet- en olievlekken brachten de inspecteurs op het spoor van een motorfiets en het duurde niet lang meer voordat ze begrepen dat degene die de camera’s had geplaatst en bediend, in de onmiddellijke omgeving moest wonen. Waarschijnlijk een buurman.

Toen ze een deur-aan-deur onderzoek deden, bleek Peer Vandam als van de aardbodem verdwenen en het resultaat van de huiszoeking was voor de specialisten een nieuw raadsel. Het was alsof Vandam daar nooit had gewoond. Er was ook niemand in de vallei die een duidelijke persoonsbeschrijving van hem kon geven. Telkens ze hem hadden gezien, zat hij op zijn zware motorfiets, volledig in het leder gekleed met helm en bril. Hij had met niemand enig contact gehad en alleen de verhuurder had oog in oog met hem gestaan. Hij beweerde dat de vent pikzwart haar had, volle baard en altijd een zonnebril droeg. Daar hij voor zes maanden vooruitbetaalde, had de verhuurder zich tevredengesteld met het noteren van de gegevens van zijn identiteitskaart.

Nergens vonden de techneuten Vandams vingerafdrukken, noch enig bruikbaar DNA-materiaal. Peer Vandam had geen enkel spoor achtergelaten.

Ondertussen had de onderzoeksrechter begrepen dat deze man het leven van het meisje had gered. Maar hij wilde weten waar Farouches lijk gebleven was. Bovendien wilde hij zo snel mogelijk deze bestrijder van het onrecht achter de tralies.

Met wat hij op de geluidsbestanden had gehoord en nadat hij de foto’s van de meisjes met de zaak Alice en Kimberly in verbinding had gebracht, hoopte hij deze moderne wreker snel te kunnen inrekenen. Toen hij de dossiers doornam, vond hij echter geen enkel spoor van een Peer Vandam. Het werd nog mysterieuzer toen hij de naam ook niet in het Nationaal Register vond.

De vader van Kimberly heette Gil Deprez. Tijdens een storm in de Middellandse zee was hij van een jacht overboord gespoeld en zijn lijk was nooit gevonden. Korte tijd daarop had de moeder zelfmoord gepleegd, terwijl een rechtbank Deprez een jaar later definitief dood had verklaard.

De man die het huurcontract onder de naam “Vandam” had ondertekend, bezat een valse identiteitskaart.

Achter deze naam school dus iemand die zorgvuldig zijn verleden had gewist. Ging het om de dood gewaande Gil Deprez?

‘Nee,’ zeiden zijn bekenden en familieleden, nadat ze de stem op de geheugenchip hadden gehoord. Het bleek ook niet de stem van Alices vader te zijn. Bovendien had die een alibi.

Ook al handelde de politie drie onopgeloste zaken af, de lijken van deze slachtoffers en dat van Farouche werden nooit gevonden. Ondanks de ingezette middelen en een Internationaal opsporingsbevel, kon de man die kinderverkrachters ombracht en op een motorfiets rondreed, nooit worden gevat. Het duurde dan ook niet lang voordat er fantasierijke verhalen de ronde deden.

In de volksmond fluisterde men dat Gil Deprez zijn eigen dood in scene had gezet om de moord op zijn dochter te kunnen wreken. De gerechtelijke diensten beschouwden dit als onzinnige dorpspraat. Maar Vandam had een verkeerd vonnis rechtgezet en wellicht wachtte hij op een nieuwe, gerechtelijke dwaling.

Een onopvallende eenzame man, sportief en weinig spraakzaam.

Een nieuwsgierige buurman.

Huwelijkstrouw

Hoe was alles begonnen? Sonja zat aan het uiteinde van de tafel met haar hoofd in de handen en overwoog de situatie. Ze dacht aan dat feestje, aan Britt en haar man Paul. Ze sloot haar ogen en haalde de gebeurtenissen van die fatale nacht weer voor haar geestesoog.

Op een bepaald moment was ze met Paul naar buiten gegaan. Er volgde wat onschuldig geflirt, waarna ze in het veld beland waren voor een onstuimige vrijpartij. Maar wat een eenmalig avontuurtje moest zijn, was uitgegroeid tot een hartstochtelijke verhouding.

Zes maanden later, na tal van heimelijke afspraken op de onwaarschijnlijkste plaatsen, had ze haar echtgenoot verlaten en was ze met Paul in de stad gaan samenwonen. Echter, na verloop van tijd had ze wroeging gekregen. Britt deed alles om haar echtgenoot terug te winnen en ze had een weg gezocht om het met haar vroegere vriendin weer goed te maken.

Maar telkens weer had ze zich door Paul laten ompraten.

Hun passionele verhouding was uitsluitend gebaseerd op seks. Hoewel eraan verslaafd, was ze haar romantische en brave Jean beginnen missen. Maar die was er niet meer. Hij had het leger verlaten en was naar België teruggekeerd. Ze had wroeging gekregen en wilde met Paul. Maar als ze in zijn armen lag, smolten haar goede voornemens als sneeuw voor de zon.

Wanhopig had ze naar een oplossing gezocht en op een dag had ze een inval gekregen. Ze vertelde Paul dat ze een huis in België zou huren omdat ze Britt niet meer onder de ogen wilde komen. Ze wist dat zijn aanvraag voor een overplaatsing naar een eenheid in België tijd zou vergen. In die tijdspanne zou ze het met Jean weer goedmaken en samen met hem een nieuw leven beginnen.

Nadat ze eindelijk haar eigen woning had betrokken, had ze naar Britt gebeld en haar meegedeeld dat ze het met Paul wilde uitmaken. ‘We waren nooit verliefd, Britt. Geloof me, het was pure passie. In wezen houdt Paul van jou en ik van Jean. Daarom ben ik verhuisd. Kunnen we elkaar niet treffen en wat bijpraten?’

Aan de andere kant van de lijn was het even stil gebleven. Dan had ze de verlossende woorden gehoord. ‘Goed, ik denk dat we dit zo snel mogelijk achter ons moeten brengen.’

Die middag had Britt haar bezocht en ze hadden het uitgepraat bij een kop koffie en een gebakje. Ze hadden gehuild als kleine kinderen en ze waren in elkaars armen gevallen. Daarna had ze Paul gebeld om het af te maken, maar hij had niet geantwoord. Dus had ze hem een sms’je gestuurd. Daarna had ze Jean gebeld en tot haar innige vreugde was hij bereid om hun huwelijk een tweede kans te geven. Enthousiast had hij beloofd om de volgende dag langs te komen. Tranen waren in haar ogen geschoten en Britt had mee gehuild. Bij het afscheid hadden ze elkaar heftig omarmd.

Alles was als weleer.

 

Sonja opende haar ogen, slaakte een diepe zucht en keek naar de mobiele telefoon die voor haar op de tafel lag. Ze wachtte nog steeds op Pauls reactie. Na Britts vertrek had ze een nieuw sms’je verstuurd.

‘Paul, ik denk dat het beter is dat we elkaar niet meer zien. Jean en ik gaan nu weer samen. We waren fout. Je weet dat onze affaire niets met liefde te maken heeft. Het ga je goed. Britt en Jean hebben het ons vergeven. Morgen is hij weer bij mij. Ik wens je veel geluk met Britt. Ze is een prachtige echtgenote.’

Tot haar verbazing liet Paul niets van zich horen.

 

 

De avond was gevallen. Sonja had zich omgekleed en droeg een zijden nachtpon met daarover een lichtblauwe morgenmantel. Nadat ze alle deuren had afgesloten, ging ze in de keuken een glas vruchtensap inschenken. Ze pakte een vrouwenblad en ging in de huiskamer zitten.

Maar ze kon zich niet op haar lectuur concentreren. Verontrust vroeg ze zich af waarom Paul niets van zich liet horen. Dat had hij nog nooit gedaan.

Voor alle zekerheid verstuurde ze nog een bericht.

Paul bleef stom.

Ze bladerde zonder iets te lezen en dacht aan haar man. Sinds maanden had ze hem niet meer gezien en ze vroeg zich af hoe het weerzien zou verlopen. Ze wilde het hem zo aangenaam mogelijk maken. Diep in haar binnenste was ze overtuigd dat hij nooit had opgehouden van haar te houden. Toen hij Duitsland had verlaten, had ze voor de eerste keer tranen in zijn ogen gezien. Hij had een lang moment diep in haar ogen gekeken. Vervolgens had hij een diepe zucht geslaakt, had zich met een ruk omgedraaid en was hoofdschuddend weggelopen. Daarna had ze hem niet meer weergezien.

Het geluid van een motor schrikte haar op. Verwonderd keek ze naar de terrasdeur en zag lichtstralen van koplampen over de oprit glijden. Het was een zware motor.

‘Dat kan toch niet,’ mompelde ze binnensmonds. Had Jean niet gezegd dat hij in de voormiddag zou langskomen?

Wilde hij haar verrassen?

Of controleren of ze werkelijk alleen was?

De lichten gingen uit. Ze hoorde een portier opengaan en dichtslaan. Voetstappen naderden de terrasdeur. Achter de gordijnen dook een donkere gestalte op en ze hoorde een zacht geklop op de ruit. Haar hart klopte als razend en ze haastte zich naar de deur.

Verwachtingsvol deed ze open.

 

Jean voelde zich de gelukkigste man op aarde. Zijn Sonja was weer bij zinnen. Eindelijk had ze genoeg gekregen van de egoïstische vrouwenjager zonder inlevingsgevoel. Als voormalige vriend kende hij Pauls zwakheden, maar hoe kon je dat aan een vrouw vertellen die door zijn charme gehypnotiseerd leek?

De slag was hard aangekomen. Eerst had hij geleden. Maar dan had hij zich willen wreken. Dat was fout geweest en hij was blij dat aan alles een eind kwam. Het leven kon hervat worden waar het zes maanden eerder was gestopt.

Ik had nooit een minnares mogen nemen, dacht hij. Maar waarom zou hij zich nu schuldig voelen? Hij was het slachtoffer geworden van Pauls en Sonja’s verraad. Zijn verhouding was daar een reactie op. Een probleem voor later.

Hij reed de oprit op en verstijfde. Wat is hier gaande? Als gebiologeerd staarde hij naar de militaire Land Rover en de witte BMW ervoor. Wat doet Paul hier? Sonja’s auto kon hij nergens bespeuren. Die zal in de garage staan, veronderstelde hij. Heel even overwoog hij of hij niet beter kon verdwijnen.

Ditmaal niet, besliste hij. Hij kneep zijn lippen op elkaar en trapte op de rem. Tien seconden later stond hij aan de terrasdeur. Ook al stond die op een kier, toch klopte hij aan. Meerdere keren.

Geen antwoord.

Voorzichtig duwde hij de deur open, betrad de woonkamer. Niemand.

Met een paar lange passen stond hij naast de tafel en bleef abrupt staan. Voor hem lagen twee omvergeworpen stoelen, en hij meende gedroogd bloed te herkennen op het parket.

‘Sonja,’ riep hij richting traphal. Alleen een echo weergalmde door de gang en hal.

Zijn hart klopte hevig en hij kreeg een onaangenaam gevoel in de maagstreek. Hij volgde het spoor van de gedroogde vlekken tot aan de traphal. Aarzelend keek hij rond. Geen enkel geluid verbrak de akelige stilte. Voorzichtig besteeg hij de trappen; de treden vertoonden onregelmatige donkere vlekken en hun gekraak klonk onheilspellend in zijn oren.

Boven gekomen werd zijn aandacht getrokken door twee openstaande deuren. Door de eerste zag hij een eenvoudige houten trap, achter de andere ontdekte hij een slaapkamer en liep ernaartoe met bange voorgevoelens. Toen hij naar binnen stapte stond hij aan het voeteneinde van een doorwoeld bed waarvan de lakens en dekens bruine vlekken vertoonden.

Maar er was niemand.

Hij vocht tegen opkomende paniek en draaide zich om.

‘Sonja, waar ben je?’ riep hij richting trap.

Niemand antwoordde.

Na nog eens te hebben rondgekeken, haastte hij zich naar de andere deur en besteeg behoedzaam de steile trap naar de zolder. Het gekraak van de treden klonk als pistoolschoten in zijn oren en hij kreeg er al spijt van dat hij de woning was binnengegaan. Traag stak hij zijn hoofd boven de zolderbodem, terwijl zijn ogen van links naar rechts dwaalden. Een volledig ontruimde plaats, afgezien van een omgevallen stoel achter een betonnen steunpilaar. Hij nam de laatste treden, betrad resoluut de zolder, deed twee stappen naar voren en passeerde de pilaar. Nu kwam de rest van de ruimte in zijn blikveld.

Hij verstijfde.

Een gedempte kreet ontsnapte zijn keel.

De stoel leek op degene die hij in de huiskamer had gezien en was met opzet omvergeworpen. Daarboven bengelde een man aan een touw dat vastgemaakt was aan de dwarsbalk. Iemand in militair oefentenue. Ook al vermoedde Jean wie het was, deed hij nog een paar stappen naar voren en stopte.

Geen twijfel mogelijk. Het opgezwollen gezicht met uithangende tong was dat van Paul. Onthutst draaide Jean zich om.

Waar was Sonja gebleven?

Hij ijlde de trappen af, sprong de slaapkamer binnen, keek in het rond als een gejaagd dier op zoek naar een verborgen prooi, terwijl hij trachtte te raden wat er voorgevallen was. Naast het bed lagen een gescheurd nachtgewaad en een tanga. Hij liet zijn ogen verder door de kamer dwalen totdat hij zichzelf gereflecteerd zag in de spiegel van de grote eiken garderobekast. Aarzelend schoof hij ernaartoe, bleef zichzelf even beteuterd aanstaren en draaide de sleutel om. Voorzichtig trok hij de deuren open en verstarde.

Een jonge vrouw zat volledig naakt in de hoek op de bodem.

Haar rug leunde tegen de zijkant, haar bebloed gezicht was voorovergebogen en haar kin rustte op haar opgetrokken knieën. Meteen zag hij de diepe hoofdwonde boven haar linkerslaap.

‘Sonja,’ gilde hij geschrokken. Hij boog voorover en de aanblik van haar door talrijke messteken lelijk toegetakelde borsten lieten hem ontzet terugdeinzen.

Tranen schoten in zijn ogen. Even hoopte hij dat ze nog leefde. Zijn trillende vingers raakten haar even aan en hij trok met een huivering zijn hand terug. Haar huid was koud en stijf. De rigor mortis was al in een gevorderd stadium.

‘Nee.’ Zijn door merg en been dringende kreet drukte zowel wanhoop als ondraaglijke pijn uit en weergalmde door het hele huis. Hij kon zijn ogen niet van haar afwenden, wilde haar in zijn armen nemen, haar troosten, tegen haar praten. Maar uiteindelijk bleef hij hulpeloos staan met afgezakte, schokkende schouders en vertrokken gezicht.  Dikke tranen rolden over zijn wangen.

‘Paul waarom heb je dat gedaan?’ steunde hij.

Op dat moment hoorde hij een vaag geluid achter zijn rug.

 

‘Hallo Jean, wat doe jij hier?’ De stem kende hij en toch liep er een koude huivering langs zijn ruggengraat. Met een ruk draaide hij zich om.

‘Jij?’ stamelde hij onthutst.

De vrouw in de deuropening droeg een donker joggingpak waarop duidelijk opgedroogde bloedvlekken zaten. Haar zo vertrouwde gezicht dat in zijn armen verrukking had uitgestraald, was bebloed en vertrokken in een hatelijke grijns. Haar ogen hadden alle glans verloren en hij was er niet zeker van of ze hem wel zag.

‘Wat heb ik je beloofd?’ fluisterde ze.

Hij deed een stap naar haar toe. ‘Wat is er hier gebeurd?’

Ze schudde haar hoofd heen en weer en lachte schamper. ‘Jouw Sonja wilde het weer zoals vroeger. Maar nu heeft ze de rust waarnaar ze zo vertwijfeld heeft gezocht. Paul is gek geworden van verdriet en is zich boven gaan ophangen.’ Haar schelle lach bezorgde hem koude rillingen.

Langzaam schuifelde hij naar haar toe. Ze leek hem niet te zien, bewoog geen vin.

‘Heeft Paul Sonja…’ begon hij.

Ze giechelde als een schoolmeisje. ‘Sonja wilde ons geluk verstoren en daartoe had ze geen recht meer.’ Haar neerhangende schouders trilden.

Jean veronderstelde dat ze in schok verkeerde. Was ze al die tijd samen geweest met die twee lijken? Sonja moest al uren dood zijn. Maar waarom had Paul Sonja vermoord?

Hij trachtte haar te bedaren.

‘Alles is nu voorbij,’ zei hij zacht en hij legde zijn handen op haar schouders. Zachtjes trok hij haar zachtjes naar zich toe. ‘Alles is voorbij,’ zei hij sussend.

‘Nee, niet alles is voorbij,’ hoorde hij haar fluisteren. Hij bracht zijn hoofd dichter naar haar toe en zijn ogen zochten de hare. Maar wat hij daarin las bezorgde hem een schok. Dat kan toch niet. Haar rechterhand schoot vanachter haar rug naar voren. Hij voelde iets tegen zijn borst stoten en trachtte van haar weg te komen.

Tevergeefs. De vrouw was in een helse furie veranderd. Keer op keer stootte ze de dolk naar voren en terug. Toen hij zijn mond opende om te gaan schreeuwen, haalde ze het lemmet over zijn keel. Zijn bloed spoot over haar gezicht, haar borst. Zijn keel bracht alleen nog maar akelig gorgelende geluiden voort. Terwijl hij het bloed smaakte dat tussen zijn lippen sijpelde, viel hij als een blok achterover op het bed. Maar hij leefde nog.

‘Je was gewaarschuwd dat geen enkele vrouw jou van mij zou wegnemen,’ stamelde ze hees. Haar neerhangende hand liet de dolk los en hij viel kletterend op de parketvloer.

Jean kon zich niet meer bewegen maar zijn hersenen werkten nog. Hij besefte dat de dood nakend was, dat hem nog weinige seconden bleven. Maar die volstonden. Terwijl de duisternis als een deken over hem heen gleed en “De Dood” zich klaarmaakte om hem mee te voeren naar zijn eeuwige rijk, werd hem alles duidelijk.

Nooit had hij vermoed dat deze ontgoochelde vrouw meer dan vergetelheid in zijn armen had gezocht. Al die tijd had hij geloofd dat ze beiden wraak namen op de personen die hen hadden bedrogen. Hij was met haar tussen de lakens gekropen in de hoop daarmee zijn vrouw terug te winnen. Maar nu herinnerde hij zich dat deze furie hem had verleid. Vanaf het moment dat ze elkaar hadden ontmoet had ze het op hem afgezien. Hoe heb ik kunnen denken dat ik door haar te neuken, Sonja kon terugkrijgen? Toen ze had gehoord dat Sonja weer naar hem zou terugkeren, waren haar zekeringen doorgeslagen. Hoe had hij kunnen overzien dat deze mooie vamp psychisch gestoord was? Zij had ervoor gezorgd dat Paul en Sonja elkaar in de armen vielen omdat ze verliefd was op hem! Altijd geweest en daarom moesten Sonja, Paul en hij sterven.

De oneindige duisternis overviel hem.

 

Ze had gespeeld en verloren. Weldoordacht had ze Sonja gevraagd om met Paul te flirten. Een spelletje onder vrienden om te testen hoe trouw hun partners wel waren. Zo had ze vrije baan gekregen om Jean voor zich in te palmen. Zolang hij bij Sonja was, zou dat nooit mogelijk zijn geweest.

Haar plannetje was gelukt, maar nu begreep ze dat Jean nooit van haar had gehouden. Hij had haar misbruikt om zijn vrouw terug te winnen. Daarom had ze beide bestraft. Jean had geen recht meer om verder te leven nadat hij haar leven had verwoest.

Waarom moest hij verdomme bij Sonja terugkeren?

Twee uur later verliet Britt het huis. Onherkenbaar door de pruik met de lange blonde haren en de uitdagende minirok die nauwelijks iets bedekte. Ze zag er betoverend uit.

Ze kroop achter het stuur van de 4×4 Toyota. Ergens wachtte een man op haar.

Een week later werd de wagen teruggevonden in een ravijn in de Alpen.

Maar van Britt geen spoor.

Sarajevo, gevaarlijke relaties.

Uittreksel : “Omerta” in herwerking (eindredactie).

Butmir, Sarajevo 2000.

Jean Lamy stak zijn ID-kaart terug weg, groette de wacht en haastte zich doorheen de smalle passage die aan weerszijden met een metalen roosternet was afgebakend. Aan het uiteinde glipte hij voorbij het afsluitpoortje, verliet het militaire kamp Butmir en liep met grote stappen naar de wachtende taxi. Hij schoof op de plaats naast de chauffeur, lachte hem vriendelijk toe en zei: ‘Ilidza.’

Jean keek nog eens over zijn schouder door de achteruit, maar zag niets verontrustends. Bijna onmerkbaar slaakte hij een zucht van verlichting. Wat kon er eigenlijk verkeerd gaan? De dienst was voorbij en hij was in burger, een voorrecht dat weinig officieren hadden. Na de vergadering op de Afdeling Operaties met de chefs van de interventieploeg Doom, was hij zo snel mogelijk naar zijn wooncontainer gelopen om zich om te kleden. Hoewel hij zonder enig probleem ook in uniform het kamp had kunnen verlaten, verkoos hij om zo discreet mogelijk tewerk te gaan.

De chauffeur was een vijftiger met een typisch Slavisch, hoekig gezicht met dikke wenkbrauwen, haakneus en vlezige mond. Hij droeg een verfomfaaide bruine broek en een geruit sporthemd dat dringend aan een wasbeurt toe was. Maar Jean had andere zorgen dan zich druk te maken over de gebrekkige hygiëne van de man.

Kamo zelite ici? – Waar wil je naartoe?’ vroeg deze met de hese stem eigen aan de kettingroker. De wijs-en middelvinger waren donkerbruin gekleurd van de nicotine.

Miami bar, ali trebali biste iduci uz aerodrom – Miami bar, maar je moet langs de luchthaven voorbij.’

Dobro – Okay.’ Er speelde een lichte grijns op het gezicht van de oudere man, toen hij gas gaf en de brede laan opreed.

Waarschijnlijk denkt hij dat ik naar de meiden ga.

Jean sprak de lokale taal meer dan behoorlijk en dat was ook de reden waarom hij die post bij de Black Tigers had gekregen. Aanvankelijk had hij zich nooit afgevraagd waarom dat multinationaal bataljon nergens op een organigram voorkwam terwijl het door een Amerikaanse generaal bevolen werd wiens file enkel voor een handvol hooggeplaatste functionarissen in het Pentagon toegankelijk was. Onwillekeurig voelde Jean een koude rilling langs zijn rug lopen telkens als hij aan deze schrikaanjagende bevelvoerder dacht, zijn directe chef die hij ervan verdacht hem niet in zijn hart te dragen.

Zou hij iets vermoeden?

Deze kolossale vijftiger was een oorlogsveteraan die de eerste Golfoorlog als kolonel had meegemaakt en die vervolgens special voor deze functie werd uitgekozen omwille van zijn eigenzinnig karakter en speciale verhoormethodes. Lamy was ervan overtuigd dat hooggeplaatste personen de oorlogsveteraan deze functie hadden gegeven om hem uit de handen te houden van bepaalde mensenrechtenorganisaties die al te veel belangstelling hadden getoond voor zijn daden in Irak. Na zijn opdracht ginder was hij als van de aardbodem verdwenen; hij stond in geen enkele personeelsregister geregistreerd. Nationale veiligheid, gesneuveld in de woestijn. Zijn personeelsakte had zich in rook opgelost en Jean betwijfelde of zijn naam echt was.

Brigadegeneraal Dugan Hunsville was een imponerende kerel van bijna twee meter, breedgeschouderd en gespierd door dagelijkse trainingen van twee uur in de powertrainingszaal of het zwembekken. Zijn hoekig gezicht, dikke zwarte wenkbrauwen, groene ogen, scherpe neus en gladgeschoren schedel gaven hem een schrikaanjagend uitzicht. Weinig personen weerstonden zijn doordringende blik meer dan vijf seconden.

Jean wist dat de generaal richtlijnen kreeg zowel van het Internationaal Gerechtshof als van de Speciaal Afgevaardigde van de Secretaris-Generaal. Als hij er ooit achter komt wat ik hier werkelijk doe, kan ik best honderden kilometer ver weg zijn, dacht hij en een huivering doorvoer zijn lichaam. De afwezigheid van de generaal op de vergadering had hem verontrust. Dat was nog nooit voorgekomen.

Als chef van het departement inlichtingen hield Jean zich uitsluitend met het verzamelen van informatie bezig, maar generaal Hunsville kreeg steeds een kopij van ieder rapport dat door om het even welke bron op het terrein aan het hoofdkwartier werd overgemaakt. Zijn agenten waren hoofdzakelijk Bosniaks die vooral in de Republika Srpska opereerden. Al werkte hij nauw samen met majoor Brisant, chef operaties en coördinator van de verschillende interventieploegen die oorlogsmisdadigers moesten gevangennemen, nam hij nooit deel aan de nachtelijke raids.

Zonder dat Jean het gemerkt had, waren ze de luchthaven voorbijgereden en bevonden ze zich op het draaipunt Stup, waar de taxi links afboog richting Ilidža. Jean wierp opnieuw een nerveuze blik naar achteren. Niemand volgde hen.

Het verkeer was nu wel drukker geworden. De rijstijl van de zwijgzame chauffeur leek helemaal niet op die van de meeste van zijn collega’s die zich wild doorheen het verkeer slalomden en alle verkeersbeperkingen misachtten.

Het was nog vroeg in de ochtend, amper halfzes en Jean vroeg zich af of de club al open was. Nu ja, hij wist dat hij mocht bellen en de vastgelegde code gebruiken. Wat hij deed, bezorgde hem nachtmerries, maar wat kon hij anders doen? Ze hadden hem in hun macht en hij had weinig keus, wilde hij zijn loopbaan niet verliezen.

Ze reden over de brug van de Zeljeznica en sloegen linksaf aan de rode lichten. Even later passeerden ze het vroegere SFOR-hoofdkwartier. Ze bleven vijf minuten de Hranicka cesta volgen, sloegen rechtsaf en bevonden zich op een verlaten landweg.

Jean controleerde opnieuw of hij werd gevolgd, maar niemand draaide de landweg op. Voor het eerst sinds hij Butmir had verlaten, voelde hij zich gerustgesteld.

Ik had hen moeten bellen.

Maar telefoneren leek hem gevaarlijker. Hij wist dat alle mobiele telefoons van het personeel door de Britten werden afgeluisterd. Telefoneren betekende zo goed als zelfmoord.

De weg liep in het midden van een groene vlakte en slingerde zich doorheen onbewerkte akkers. Binnen enkele ogenblikken zouden ze de onzichtbare grens met de Servische Republiek overschrijden. Na een lange linkse bocht schrok hij zich een bult. Ongeveer driehonderd meter verderop stond een olijfgroene landrover met zwarte vlekken dwars over de weg.

De taxichauffeur vloekte iets binnensmonds en vertraagde.

‘Kontrola,’ siste hij.

Jean zag twee gecamoufleerde mannen voor het voertuig staan. De ene hield een automatisch wapen voor de borst, maar de andere had zijn handen op de rug.

Wat doen die hier?

Tevens had hij opgemerkt dat de twee tot de Zwarte Tijgers behoorden want ze droegen de camouflagepakken met de kleuren die veel gelijkenis vertoonden met die van de Nederlandse pakken.

Toen de taxi op een tiental meter was gekomen, viel het hem op dat de mannen ook bivakmutsen droegen, zoals ze deden als ze in opdracht een raid tegen gezochte misdadigers uitvoerden.

Wat heeft dat verdomme te betekenen?

‘Zaustaviti – Stilstaan,’ schreeuwde de man zonder wapen. Hij hief nonchalant een hand omhoog en hield de ander achteloos op zijn rug. Jean vroeg zich af of ze de Federatie al hadden verlaten.

Ze moeten me toch herkennen.

Toen de taxi stil stond, overwoog Jean wat hij het beste kon doen of niet doen.

Nema problema, to su ljudi iz moje jedinice – geen probleem, dit zijn mannen van mijn eenheid,’ probeerde hij de chauffeur gerust te stellen en hij stapte uit.

Ostani gdje si – Blijf waar je bent,’ beval de man zonder wapen op scherpe toon.

I am major Lamy, G2 of the Black Tigers…Ik ben majoor Lamy, G2 van de Zwarte tijgers,’ zei hij luid.

‘En wat doe je hier, majoor?’ vroeg de man nu ook in het Engels.

‘Ik bezoek eh… vrienden.’

‘Zozo, je bent dus een vriend van de Miami?’ vroeg de man op barse toon. Jean kende alle personen van het bataljon, maar deze stem zei hem niets.

‘Wat bedoel je?’

‘Majoor Lamy, je bent een schande voor je land! Denk je werkelijk dat we niet weten waarom je hier bent? De vergadering was een plannetje van onze ouwe…’

Hunsville, schoot het door Jeans hoofd. Tevens begreep hij dat hij in een valstrik was gelopen. Deze mannen hadden op hem gewacht.

‘Waarom heb je dat gedaan?’ vroeg de gemaskerde bars. Zijn rechterhand kwam nu vanachter de rug tevoorschijn en daarin herkende Jean tot zijn ontsteltenis een Glock met geluidsdemper.

Verdorie, ik heb mijn wapen niet bij!

Niemand hoefde hem uit te leggen wat er nu stond te gebeuren. Hij was een ervaren inlichtingendienstofficier, werkte in een schemerorganisatie. Hij bestond niet eens.

De gemaskerde naderde nog een stap. ‘Dus jij bent de informant.’

‘Hoe bedoel je? Ben je gek geworden? Ik heb een opdrachtgever net als jullie, maar die van mij is niet de ouwe. Je weet niet wat je doet!’ Hoe was het mogelijk dat de verschillende departementen van elkaar niet wisten wat ze deden.

‘Wij weten heel goed voor wie je werkt, mijn beste majoor. Tot nu toe gingen we allen akkoord, maar de politieke situatie is aan het veranderen en jij bent daar nu de dupe van.’

Dat kon toch niet. Ook hij werkte voor een Europese regering. Hij was geen spion noch informant. Hij was geen verrader. Toch niet in de letterlijke betekenis van het woord. Hij handelde in opdracht. Verhinderen dat Mladic en Karadzic werden aangehouden.

Belgrado heeft het met de EU op een akkoord gegooid.

Veel tijd om daarover na te denken kreeg hij niet.

De man naderde tot op twee passen en richtte de loop van de donkere Glock op zijn borst.

‘Met de groeten van de Ouwe,’ siste de man.

Jean hoorde niet eens het ploffende geluid.

Provocatie of racisme? RTL geeft zijn visie

In een vorig bericht (Provocatie of racisme) heb ik een incident beschreven waarbij een moslima van 16 aan de kust door een veertigjarige man geweld werd aangedaan. Ondertussen heeft de politie meerdere processen Verbaal opgesteld en weerhoudt niet “islamophobie” als drijfveer.
 
Maar RTL info gebruikt dit incident weer eens om de moslims als slachtoffer voor te stellen. Daarbij heeft ze de mening van UNIA co-directeur Patrick Charlier gevraagd, die meteen verklaarde dat het aantal gelijkaardige incidenten in ons land groeit. Hoewel dit incident al een paar dagen oud en het niet duidelijk is wie wat heeft gedaan, maakt RTL van de gelegenheid gebruik om met dit verhaal zijn pro-islamcampagne voort te zetten, en daarmee de eigen bevolking te vernederen. Conclusies trekken voordat het onderzoek afgesloten is, getuigt van ongezonde en onbetrouwbare journalistiek. Maar de boodschap is verstuurd, en het resultaat van het onderzoek speelt geen rol meer. Het gif is het menselijk organisme al binnengedrongen.

Verkeerde conclusies?

De journalist Jan Leyers heeft in onderstaand artikel geprobeerd zo objectief mogelijk te zijn. Toch heeft hij iets heel belangrijks vergeten. Alvorens zijn onderzoek te beginnen, had hij zich eerst moeten verdiepen in de Koranische teksten in samenhang met de Sira (Biografie van Mohammed). Nu baseert hij zijn besluiten uitsluitend op wat hem werd verteld, zonder te beseffen dat wat een moslim een ongelovige vertelt, niet noodzakelijk hetzelfde is wat hij denkt. De meerderheid moslims, ook de meest gemodereerde, zullen altijd hun geloofsbroeders steunen tegenover niet-gelovigen, ongeacht of deze geloofsbroeders radicaal of crimineel zijn. Want in hun waar geloof, beschreven in de Koranische teksten, zijn ze overtuigd dat een niet-gelovige een minderwaardig persoon is. De journalist trekt een verkeerde conclusie door te denken dat er twee soorten islam zijn.
Maar het loont de moeite dit artikel te lezen.

Geweld-aan-een-moslim-dag 3 april.

Volgens RTL Info kregen gisteren in Engeland een aantal personen een anonieme brief waarin gevraagd wordt om op 3 april een gewelddaad te plegen op een persoon behorende tot de moslimgemeenschap. De inhoud van deze brief is via de sociale media in België terechtgekomen en een aantal personen hebben bij RTL de oranjeknop gedrukt. ALARM. Moslims het slachtoffer van geweld? RTL neemt het probleem ernstig, terwijl de BE politie de zaak passief volgt. In Engeland wordt de zaak wel ernstig genomen. RTL waarschuwt dat aansporing tot geweld wettelijk strafbaar is. Dat is de inhoud van het bericht waarmee RTL zijn 19 uur journaal opent .
Dit bericht stemt me tot nadenken. Het melden van een dergelijk feit zou niet zo speciaal zijn, als RTL (en andere nieuwszenders) ook meldingen zouden doen over de talloze uitspraken van geweld door moslims aan de Westerse bevolking gericht. In Engeland komen voortdurend moslims voor de camera met uitspraken die een normale mens kippenvel moeten bezorgen. Maar tot nu toe heb ik deze berichten op geen enkele Belgische zender gezien. Maar in dit geval, ook al is België helemaal niet betroffen, blaast RTL het bericht op als een “Breaking News melding”. Bovendien heb ik noch in Engelse kranten, noch Nederlandstalige kranten daar een melding over gelezen. Wat mijn mijn groeiende overtuiging bevestigt dat RTL werkelijk een moslim-promotiecampagne aan het voeren is waarbij niet alleen positieve moslimdaden in beeld worden gebrach, maar ook de gewelddaden van blanken, westerlingen tegen de moslimgemeenschap. De uitvoerige berichtgeving over de Palestijnse slachtoffers in de Gaza, het teruggeven van gevonden geld door een allochtoonse jongen, en het overmeesteren van een overvaller door een asielzoeker, zijn daar sprekende voorbeelden van. Het is erg dat onze nationale zenders zich zo verlagen tot eenzijdige berichtgeving, wat in tegenspraak is met de journalistieke basisprincipes.

Provocatie of racisme?

Een meisje van 16 uit Molenbeek wordt geweld aangedaan…(zie link)
Een incident dat sommige media verleiden om het als “racistisch” te classifiëren. Gelukkig waren er getuigen die de versie van een vermeend slachtoffer tegenspreken. Alweer een voorbeeld van hoe betrouwbaar bepaalde “allahtoonse” groepen zijn. Een bevestiging van de Koranische teksten: niet-gelovigen zijn uitschot en minderwaardige schepsels tegen wie “leugen en misleiding” deel uitmaken van het allahtoonse wapenarsenaal om de kafirs te bestrijden. Ik heb dergelijke ervaringen opgedaan toen ik nog adolescent was, in een grensstadje Menen waar de Noord-Afrikanen tijdens de weekends in groot aantal opdoken en de uitgangszone terroriseerden. Het begon met provocatie door enkelingen, en als een autochtoon (bezoeker of uitbater) reageerde, kreeg hij even later een opgetrommelde horde allahtonen op zijn nek. Meestal vloeide er bloed en moesten mensen naar het ziekenhuis afgevoerd worden. Zelfs de lokale politie had angst om in die zone te patrouilleren. Het gedragspatroon van deze groep is hetzelfde gebleven. Zelfde modus operandi: je wordt geprovoceerd, je reageert en even later sta je tegenover een “wildgeworden horde familieleden, vrienden en soortgenoten”. Zoals in hieronder beschreven geval. Een nieuw voorbeeld van hoe gevaarlijk de islam geworden is. Dagelijks lezen we over dergelijke feiten in de kranten. Het groeiend aantal provocaties bewijst dat deze groep zich almaar sterker gaat voelen, en overgegaan is tot de volgende stap in het veroveren van “hun” territorium: chaos creëren. De ware slachtoffers zijn wij. We worden op ons eigen grondgebied aangevallen, beledigd, vals beschuldigd, en dat alles met de medeplichtigheid van de overheid en linkse media!

DE SOCIALE MEDIA IN DE VUURLIJN

Dat men op Facebook niet zijn “persoonlijke of intiemste” geheimen moet prijsgeven, weet ieder mens met een beetje gezond verstand. Maar wat opvalt is dat sinds een paar weken, Facebook letterlijk wordt afgebroken. Heeft de veiligheid van onze persoonlijke gegevens daar ECHT iets mee te maken, of is Facebook een doorn in het oog van de politieke elite? Facebook is een platform waarop elke burger zijn mening kwijt kan. FB is tevens een snel communicatiemiddel tussen burgers over de hele wereld. Soms zijn de berichten over belangrijke gebeurtenissen sneller beschikbaar dan op de officiële media. Daar iedereen op straat een mobiele telefoon heeft met filmmogelijkheden, worden beelden over aanslagen, ongevallen, rampen, politieacties, enz… bijna direct op FB gepubliceerd. Sneller dan op CNN. En dat wordt door onze gezaghebbers waarschijnlijk niet zo enthousiast aanvaard. Partijen die door de massamedia genegeerd worden, zodat ze niet dezelfde zendtijd (of helemaal geen zendtijd) krijgen om hun politiek programma voor te stellen, kunnen hun boodschap alsnog via de sociale media verspreiden. En dat FB een niet te onderschatten communicatiemiddel geworden is, hoeft niet meer bewezen te worden. Dus vraag ik me af waarom linkse infodiensten zo verwoed en uitgebreid Facebook afbreken? Ook linkse kranten publiceren horrorverhalen en insinnueren dat al wie op Facebook geregistreerd is, in gevaar is. “Je bankrekeningen zullen leeggehaald worden! Je intiemste geheimen kunnen gepubliceerd worden.” Enz…Als informaticus kan ik alleen maar zeggen dat ALLES wat op internet komt, onderschept kan worden, ook je eigen bankapplicatie. Dus Facebook als onheil beschrijven is meer dan overdreven…het is VERDACHT. Vraag je altijd af WAAROM dergelijke informatie (meestal onvolledig en niet correct) met zoveel hardnekkigheid wordt verspreid? Zonder facebook zouden heel wat politici en hun partijen weer opgelucht kunnen ademhalen. Denk hierover na.

Vrije Opinie en meningsuiting

Welkom bij “Vrije Opinie”.

De nadruk leg ik op het woordje “Vrij”, dus elke mening is welkom, op voorwaarde dat deze mening niet in strijd is met de wettelijke bepalingen over racisme en aanstichting tot geweld. Met “Vrije opinie” bedoel ik de “Vrije mening” over onderwerpen zoals politiek, religie, maatschappij, politici in de uitvoering van hun ambt.

Met “Vrij” bedoel ik zeker niet “beledigingen”, “vulgair taalgebruik”, “racistische propaganda”. Men kan ook zijn mening op een beschaafde manier uitdrukken en daar bereikt men beduidend meer mee dan met agressief taalgebruik. Deze blog zie ik eerder als een informatiebron voor onwetenden, dus met controleerbare informatie. Geen propaganda of electorale onzin. Ik probeer elke gebeurtenis, elke situatie zo objectief mogelijke te behandelen. Een utopie? De toekomst zal dat uitwijzen. Iedereen die deze regels respecteert, is welkom. Posts in overtreding met bovenstaande regels zal ik meteen verwijderen.

Henri patrik